30 September 2008 :: 17:45
Ze schreeuwt iets tegen haar vriendin, ik kan de eerste woorden al opvangen.
"Ik! Ga! Nooit! Meer!"
De rest wordt weggeblazen. Het lijkt de meisjes niet te deren, want als ze mij passeren lachen ze. Een beetje regen en wind krijgt hen niet klein.
----
Tussen twee buien door fiets ik naar huis. Op mijn racefiets, in mijn wielrenkleding.
Het verkeerslicht staat op rood als ik aan kom rijden. Er staan twee jongens te wachten, zo'n jaar of veertien, vijftien oud. Als ik naast ze kom staan, zie ik ze kijken en eentje begint onrustig met zijn fiets naar voren en achteren te schuiven. Hij lijkt haast te hebben.
Het licht springt op groen en de jongen stuift ervandoor. Ik moet eerst mijn schoen nog inklikken en dan ben ik ook weg. Na een meter of vijftig haal ik de jongen bij en hij kijkt me uitdagend aan.
"Hop, doorrijden!" Ik maan de jongen aan tot actie. "Zo kan ik toch nooit uit de wind rijden?"
De jongen kijkt even naar zijn makker, besluit daar niet op te wachten en trekt op. Tot aan het station geeft hij alles wat hij in zich heeft en hij beweegt zich behendig langs stilstaande auto's, overstekende oma's en afslaande fietsers.
Bij het station is het afgelopen en rij ik hem voorbij. Nog net vang ik op wat hij tegen mij schreeuwt.
"Ik zit onder mountainbike!"
Ik kijk om en zie hem nog trots stralen omdat hij mij voor is gebleven. Mijn duim gaat de lucht in. Goed gedaan, jongen, je hebt mijn dag gemaakt!
Op de fiets
Ik heb wind tegen en stoemp de brug op. Boven zie ik van de andere kant twee meisjes aan komen fietsen. Een gordijn van regen daalt op ons neer en een van de meisjes strijkt met een hand de natte slierten haar uit haar gezicht. De andere hand houdt stevig het stuur vast, maar toch slingert ze. Bijna duwt ze haar vriendin tegen de brugleuning. Die kan net op de fiets blijven zitten.Ze schreeuwt iets tegen haar vriendin, ik kan de eerste woorden al opvangen.
"Ik! Ga! Nooit! Meer!"
De rest wordt weggeblazen. Het lijkt de meisjes niet te deren, want als ze mij passeren lachen ze. Een beetje regen en wind krijgt hen niet klein.
----
Tussen twee buien door fiets ik naar huis. Op mijn racefiets, in mijn wielrenkleding.
Het verkeerslicht staat op rood als ik aan kom rijden. Er staan twee jongens te wachten, zo'n jaar of veertien, vijftien oud. Als ik naast ze kom staan, zie ik ze kijken en eentje begint onrustig met zijn fiets naar voren en achteren te schuiven. Hij lijkt haast te hebben.
Het licht springt op groen en de jongen stuift ervandoor. Ik moet eerst mijn schoen nog inklikken en dan ben ik ook weg. Na een meter of vijftig haal ik de jongen bij en hij kijkt me uitdagend aan.
"Hop, doorrijden!" Ik maan de jongen aan tot actie. "Zo kan ik toch nooit uit de wind rijden?"
De jongen kijkt even naar zijn makker, besluit daar niet op te wachten en trekt op. Tot aan het station geeft hij alles wat hij in zich heeft en hij beweegt zich behendig langs stilstaande auto's, overstekende oma's en afslaande fietsers.
Bij het station is het afgelopen en rij ik hem voorbij. Nog net vang ik op wat hij tegen mij schreeuwt.
"Ik zit onder mountainbike!"
Ik kijk om en zie hem nog trots stralen omdat hij mij voor is gebleven. Mijn duim gaat de lucht in. Goed gedaan, jongen, je hebt mijn dag gemaakt!
